<aside>
🃏
Goede flashcards = één idee per kaart, duidelijke vraag, concreet antwoord.
</aside>
Principes
- Atomic: 1 feit/relatie per kaart.
- Actief: vraag dwingt tot ophalen, niet herkennen.
- Concreet: liever voorbeelden dan vage definities.
Goede kaart (voorbeelden)
-
Vraag: “Wat is het verschil tussen X en Y?”
Antwoord: “X = …, Y = …, belangrijkste onderscheid: …”
-
Vraag: “Geef 2 voorbeelden van …”
Antwoord: “Voorbeeld 1 …, voorbeeld 2 …”
Slechte kaart (waarom)
- “Leg het hele hoofdstuk uit” → te breed.
- “Ken je dit?” met screenshot → herkenning i.p.v. ophalen.
Workflow
- Maak kaarten tijdens recite/review, niet tijdens eerste lezing.
- Test kaarten dezelfde dag.
- Verwijder of splits kaarten die je 2x niet kan.
Oefening
- Maak 10 kaarten uit één les.
- Markeer 3 kaarten die je moet opsplitsen.
Reflectie
- Welke kaart was te breed?