Waarom maximale arbeidsparticipatie misschien niet leidt tot maximale welstand.

Wat als we arbeid niet langer maximaliseren, maar optimaliseren?

Nederland heeft een van de hoogste arbeidsparticipatiecijfers van Europa. Tegelijkertijd hebben we structurele tekorten aan mensen in de zorg, het onderwijs, techniek en veiligheid.

Dat roept voor mij de volgende vraag op:

Is maximale arbeidsparticipatie hetzelfde als maximale maatschappelijke welvaart?

Ik denk van niet.

Dus heb ik een eerste beleidsmatige verkenning gemaakt onder de titel:

Van welvaart naar welstand Waarom maximale arbeidsparticipatie niet hetzelfde is als maximale maatschappelijke welvaart

Het idee is niet dat we allemaal minder moeten werken. En al helemaal niet dat iedereen terug zou moeten naar één inkomen, of dat vrouwen niet zouden moeten werken!

De gedachte, vind ik, is veel interessanter:

Wat gebeurt er als we niet langer proberen iedere beschikbare minuut arbeid aan de markt te onttrekken, maar kijken naar de optimale verdeling van betaalde arbeid, onbetaald werk, zorg, tijd en maatschappelijke behoeften?

In de verkenning werk ik onder meer uit hoe een beperkte verschuiving van tweeverdieners naar één inkomen of een kleinere tweede baan theoretisch niet alleen het arbeidsaanbod verlaagt, maar óók de vraag naar arbeid kan verlagen.

Minder uitbestede kinderopvang, schoonmaak, bezorging, horeca of andere arbeidsintensieve diensten betekent immers óók minder benodigde arbeid.

Daardoor kan schaarse arbeid beschikbaar komen voor plekken waar die maatschappelijk veel harder nodig is.

Daarbij komen vragen in me op over:

De centrale gedachte is eenvoudig:

Welvaart kan toenemen terwijl welstand afneemt.

Meer inkomen en meer marktproductie zijn niet automatisch hetzelfde als een beter leven.

Dit is nadrukkelijk géén afgerond wetenschappelijk onderzoek